Mor­gen­root in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔ͡ɐɡn̩ˌɾɔu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mor·gen·root
n dat Mor­gen­root
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Morgen + root