A­vend­root in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔː·vəntˌɾɔu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·vend·root
n dat A­vend­root
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Avend + root