dick­ne­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɪkˌnɛː·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: dick·ne·sig
dicknesiger dicknesigst
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dick + Nees + -ig