Dwars­kie­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdva͡ɐsˌkiː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dwars·kie·ker
Plural: Dwars­kie­kers m de Dwars­kie­ker
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dwars + Kieker