Slick­rut­scher in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslɪkˌɾʊt·ʃɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Slick·rut·scher
Plural: Slick­rut­schers m de Slick­rut­scher

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Slick + rutschen + -er