Ha­gel­schuur in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔː·ɡəlˌʃuː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ha·gel·schuur
Plural: Ha­gel­schuur f de Ha­gel­schuur Westfälisch
Plural: Ha­gel­schuur n dat Ha­gel­schuur
Plural: Ha­gel­schüür n dat Ha­gel­schuur
Plural: Ha­gel­schuurn n dat Ha­gel­schuur
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hagel + Schuur