O­gen­brau in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯ɡn̩ˌbɾaˑʊ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: O·gen·brau
Plural: O­gen­brau­en f de O­gen­brau
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Oog + Brau