Re­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾɛː·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Re·gel
Plural: Re­geln f de Re­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
wat, wat fastleggt worrn is, wo man sik an holen mutt
Engels:
Duits:
=
Regel