Re­bel­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾɛ·bɛ·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Re·bel·ler
Plural: Re­bel­lers m de Re­bel­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Rebell + -er