Ru­ten­buur in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾuːtn̩ˌbuː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ru·ten·buur
Plural: Ru­ten­buurn m de Ru­ten­buur
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ruten + Buur