Ach­ter­heck in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐˌhɛk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·heck
Plural: Ach­ter­he­cken n dat Ach­ter­heck
Plural: Ach­ter­he­cks n dat Ach­ter­heck
[1]
perifere woordenschat
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: achter + Heck