bie­te­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbiː·tə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bie·te·rig
bieteriger bieterigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:
Pass op, de Hund is bieterig!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Äppel sünd all bieterig.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bieten + -ig