Kalf­flee­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkalfˌflɛːʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kalf·fleesch
Niet gebruikt het pluralis n dat Kalf­flee­sch
[2]
perifere woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kalf + Fleesch