een­mann­s in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːnˌmans/
bijwoord
Afbreking: een·manns
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
för een Person utleggt, op een Person beschränkt
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: een + Mann