Meer­schuum­piep in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈmɛː͡ɐˌʃuːm·piːˑp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Meer·schuum·piep
Pluralis: Meerschuumpiepen f de Meer­schuum­piep
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Voorbeelden:
Meerschuumpiepen weren in dat 18. un 19. Johrhunnert Mood.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Meerschuum + Piep