präch­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɾɛ·çtɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: präch·tig
prächtiger prächtigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
[1] Mi geiht dat prächtig.

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Pracht + -ig