In­ge­dööm in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɪnˌɡɛ·døːˑm/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·ge·dööm
n dat In­ge­dööm
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: in + ge-