Post­koort in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔstˌkɔː͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Post·koort
Plural: Post­koor­ten f de Post­koort
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Soort Postsaak
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Schickst du mi en Postkoort ut’n Urlaub?

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Post + Koort