Re­gen­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾɛːɡn̩ˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Re·gen·tiet
Plural: Re­gen­tie­den f de Re­gen­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Regen + Tiet