Schruuv­sti­cken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɾuːfˌstɪkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schruuv·sti·cken
Plural: Schruuv­sti­ckens m de Schruuv­sti­cken
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schruven + Sticken