Sti­cken in het Nedersaksisch

Identieke woorden ››› sticken ❔︎ sticken ❔︎
Uitspraak in het Plat: /ˈstɪkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sti·cken
Pluralis: Stickens m de Sti­cken
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Voorbeelden:
Steek den Sticken rin.

Etymologie:

Woord afleidt van: Stick