Hel­go­lan­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɛl·ɡɔˌla·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hel·go·lan·ner
Plural: Hel­go­lan­ners m de Hel­go­lan­ner
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Helgoland + -er