Krat­zer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾat·t͡sɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Krat·zer
Plural: Krat­zers m de Krat­zer
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: kratzen + -er