Aal­kruut in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔːlˌkɾuːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Aal·kruut
Niet gebruikt het pluralis n dat Aal­kruut
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Aal + Kruut