Sin­g­kring in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɪŋˌkɾɪnk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sing·kring
Plural: Sin­g­krin­gen m de Sin­g­kring
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: singen + Kring