Dok­ter­ti­tel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɔk·təɾˌtɪ·təl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dok·ter·ti·tel
Plural: Dok­ter­ti­tels m de Dok­ter­ti­tel

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Dokter + Titel