In­sicht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɪnˌzɪçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·sicht
Plural: In­sich­ten f de In­sicht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: in + Sicht