Oor­logs­mann in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯ɾ·lɔçsˌman/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Oor·logs·mann
Plural: Oor­logs­mann­s m de Oor­logs­mann
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Oorlog + Mann