Bo­ren­mütz in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔː·ɾənˌmʏt͡s/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bo·ren·mütz
Plural: Bo­ren­müt­zen f de Bo­ren­mütz

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Boor + Mütz