Pa­cke­laasch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpa·kə·lɔːˑʒ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pa·cke·laasch
f de Pa­cke­laasch
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: packen + -aasch