Gas­pe­dal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡaz·pɛˌdɔːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gas·pe·dal
Plural: Gas­pe­da­len n dat Gas­pe­dal
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Pett op dat Gaspedal, wi mööt tosehn!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Gas + Pedal