Bett­gahns­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛtˌɡɔːns·tiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bett·gahns·tiet
Niet gebruikt het pluralis f de Bett­gahns­tiet
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bett + gahn + Tiet