Ap­pelko­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·pəlˌkɔu̯kn̩/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ap·pel·ko·ken
Plural: Ap­pelko­kens m de Ap­pelko­ken
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Antoine, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Appel + Koken