Op­rü­ckels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔpˌɾʏ·kəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·rü·ckels
Niet gebruikt het pluralis n dat Op­rü­ckels
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Duits:
Examples:
De Kuur hett mi en beten Oprückels geven.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + rücken + -els