Pingst­week in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈpɪnɡstˌvɛːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pingst·week
Pluralis: Pingstweken f de Pingst­week
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
In de Pingstweek heff ik mi free nahmen.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: pingst + Week