Speeldeel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈspɛːlˌdɛɪ̯l/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Speel·deel
Plural: Speelde­len f de Speeldeel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Theaterbühn
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: spelen + Deel