be­nüs­selt in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /bəˈnʏ·zəlt/ 🔊︎
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: be·nüs·selt
benüsselter benüsseltst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
benommen
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Na de Narkoos weer ik noch ganz benüsselt.
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Woord afleidt van: benüsseln