Ge­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛː·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·ver
Plural: Ge­vers m de Ge­ver
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: geven + -er