Goorn­diek in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɡɔː͡ɐnˌdiːk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Goorn·diek
Pluralis: Goorndieken m de Goorn­diek
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Goorn + Diek