Peer­flee­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɛːˑ͡ɐˌflɛːʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Peer·fleesch
Niet gebruikt het pluralis n dat Peer­flee­sch
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Peerd + Fleesch