Ge­sab­bel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌsa·bəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·sab·bel
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­sab­bel
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + sabbeln