bi­lüt­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /biːˈlʏtn̩/
bijwoord
Afbreking: bi·lüt·ten
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
na un na
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bi + lütt