Noot­dack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnɔu̯tˌdak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Noot·dack
Plural: Noot­dä­cker n dat Noot­dack

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Noot + Dack