Som­mer­weg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɔ·mɐˌvɛç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Som·mer·weg
Plural: Som­mer­weeg m de Som­mer­weg

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Sommer + Weg