zelfstandig naamwoord
Afbreking: Au·to·foh·rer
Pluralis: Au­to­foh­rers m de Au­to­foh­rer
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
driver Meer tonen
of a car
Duits:
Autofahrer Meer tonen

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: Auto + Fohrer