Ge­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɡɛɪ̯·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·ter
Pluralis: Geters m de Ge­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: geten + -er