Föh­rer­schien in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈføːy̯·ɾɐˌschien/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Föh·rer·schien
Plural: Föh­rer­schiens m de Föh­rer­schien
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Schien, de utwiest, dat en Persoon en auto föhren dröff
Engels:
driver's license
driver's licence
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: föhren + -er + Schien