Oordeel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯ɾ·dɛːl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Oor·deel
Plural: Oorde­len n dat Oordeel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Richterspruch
Duits:
=
Urteil