Te­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈtɛː·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Te·gel
Pluralis: Tegels m de Te­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Tegelee hett bet 1986 Tegels herstellt.