Scho­ko­laad in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈʃɔ·kɔ·lɔːˑ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Scho·ko·laad
Pluralis: Schokoladen f de Scho­ko­laad
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik mag Schokolaad geern mit Nööt.